woensdag 4 juli 2012

maandag 2 juli 2012

Baron Dragonder en de DauwKabouters



Soms ga ik een nachtje kamperen in het bos. Zomaar. Om de buitenluchtelijke sfeer in te ademen. ‘s Morgens in alle vroegte, wanneer het hele land zich loom uitstrekt of zich nog eens omdraait, is het namelijk heerlijk wandelen. De tuin, de velden, de bospaden en de meertjes genieten van de eerste zonnestralen. Je hoort de vroege vogels zingen, de krekels tjirpen, de kwiekkikkers kwaken, de bijen zoemen… Dan is een flinke wandeltocht een enerverend begin van de dag. Alleen: wanneer je zo vroeg door het gras loopt krijg je altijd natte voeten. Hoe kan dat toch?
Ondanks dat mysterie sliep ik als een roos, maar een raar geluid maakte me bij het krieken van de dag wakker. Een soort gepiep en gepuf. Ik wreef de slaap uit mijn oren en luisterde nog eens goed. Het puffende geluid kwam dichterbij! Nieuwsgierig geworden stak ik mijn hoofd uit het tentje. De eerste zonnestralen leken ook net wakker te zijn geworden. Het viel me op dat alle blaadjes druppelden van de dauw. Glanzend leken ze de zonnestralen te verwelkomen in een schitterend schouwspel. Het leken wel diamantjes!
Opeens hoorde ik verderop een klein, lichtvoetig stemmetje. Het leek wel een vrolijk liedje te zingen!
‘Kijk, ik lach
bij het krieken van de dag!
Spet en spat, lekker nat,
alle groen dat gaat in bad.
Binnen grenzen, buiten kijf,
Hup, zo gaan we stof te lijf.
Met fijne dauw, doodgewoon
kriek ik alles lekker schoon!’
Het klonk heel opwekkend en aanstekelijk vond ik! Snel stapte ik mijn tentje uit. Even verderop liep een klein boskaboutertje met een groen puntmutsje vrolijk te zingen. Het grappige mannetje was ingespannen bezig om alle groen met een grote flitspuit nat te spuiten. Er hing zelfs een dauwdruppel aan zijn neus!
Een uiterstweledeldauwzonniguitstekendemorgen!’ riep ik de kabouter toe. ‘Wie bent u? Uw zonnige humeur geeft de ochtend zo’n vriendelijke glans!’
De kabouter hield op met spuiten, sprong in de houding en salueerde. ‘Dank u beleefd,’ antwoordde hij met een piepstemmetje. ‘Mijn naam is Aquamarijn, om u te dienen. Een schonemorgen voor u!’
‘Aangenaam kennis met u te maken, meester Aquamarijn,’ begroette ik de boskabouter beleefd. ‘Wat bent u hier aan het doen, zo in alle vroegte?’
De boskabouter stak zijn flitspuit omhoog en keek me verbaasd aan. ‘Ik kriek uiteraard,’ zei het ventje. ‘Dat is toch wel duidelijk? Het heet immers niet voor niets het ‘krieken van de dag’. Krieken is belangrijk werk!’
‘Juist! Krieken. Maar natuurlijk,’ riep ik direct. ‘Maar, euh, wat is krieken eigenlijk?’
‘Schoonmaken, vanzelfsprekend! Wie denkt u dat de boel hier een beetje schoon houdt? Stof, verontreiniging en vuiligheid hopen zich op. Het groen moet wel een beetje fris blijven.’
‘Wel heb ik ooit!’ riep ik lachend uit. Ik heb me altijd al afgevraagd waarom het gras en de bladeren ‘s morgens vroeg zo nat zijn! U ziet er ook wel groen uit, moet ik zeggen.’
‘Men is nooit te groen om te krieken, zeg ik altijd,’ stelde het boskaboutertje. ‘En met krieken kan men niet vroeg genoeg beginnen.’
‘En niet vroeg genoeg pieken,’ voegde ik er glimlachend aan toe. ‘U doet prachtig werk. Ik ben blij dat ik even heb mogen spieken bij het krieken, meester Aquamarijn.’
Aquamarijn straalde. Net als het groen om ons heen.
Tekeningen - Peter van de Wiel